zeevrucht

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈzevrʏxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) iets eetbaars uit de zee
    Zijn restaurant heeft veel zeevruchten op het menu, niet alleen vis maar ook mosselen en oesters.
    Van het zee-egelgerecht begrijpen we niet veel: drie schalen met priknaalden waarin noedels, grapefruit, wat groen en, inderdaad, zee-egel moeten doorgaan voor een soort salade. Mijn tafelgenote vindt het ronduit vies. Inderdaad vormen het fris-bitter van de grapefruit en het aards-bitter van de zeevrucht geen gelukkige combinatie.
    {{ouds