zeevruchten
/ˈzevrʏxtə(n)/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) allerlei eetbare schaal- en schelpdierenDat was een goed idee, de pasta met zeevruchten is erg lekker. Het grote bord is gevuld met schelpen, mosselen, scampi’s en een lichtpittige tomatensaus.Aan de kust zijn het vooral vis en zeevruchten die het menu bepalen.
Etymologie
*[2] leenvertaling van "fruits de mer"
Vertalingen
Engelsshellfish, fruits de mer
Fransfruits de mer
DuitsMeeresfrüchte
Spaansmarisco
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek