zege

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈzeɣə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. keer dat je wint
    De thuisclub behaalde een belangrijke zege.
    Het werd de spannendste Eurovisie-ontknoping in vele jaren. Maar de uitkomst was die waar Nederland na 44 jaar naar smachtte: Duncan Laurence is winnaar van het Songfestival. Bijna een halve eeuw na de zege van Teach-in komt het festival volgend jaar weer naar Nederland. Tubantia Stefan Raatgever 19 mei. 2019 [https://www.tubantia.nl/dossier-duncan-wint-songfestival/duncan-doet-waar-nederland-na-44-jaar-naar-smachtte~afc527e7/ Duncan doet waar Nederland na 44 jaar naar smachtte]
    Het was niet goed, het was zenuwslopend, maar FC Twente is terug in de eredivisie. Omdat de enige overgebleven concurrent Sparta onderuit ging bij Jong PSV, was een punt tegen Jong AZ voldoende. De mooiste 0-0 van het seizoen voelde als de meest glorieuze zege. De ultieme bevrijding. Tubantia Leon ten Voorde 22-04-19 [https://www.tubantia.nl/fc-twente/fc-twente-heeft-de-titel-binnen-na-remise~a4617da4/ FC Twente heeft de titel binnen na remise]

Etymologie

*van Middelnederlands "sege" "seghe", in de betekenis van ‘overwinning’ aangetroffen vanaf 1240 en als eerste deel van de Oudnederlands "sigimari" "door de zege vermaard" al in de 10e eeuw

Vertalingen

Engelsvictory, triumph
Fransvictoire
DuitsSieg
Spaanstriunfo, victoria