zegel

mannelijk (de)/ˈzexəl/

Wat is de betekenis van zegel?

zegel betekent: een middel om een voorwerp zodanig af te sluiten dat er later nagegaan kan worden of het geopend is

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een middel om een voorwerp zodanig af te sluiten dat er later nagegaan kan worden of het geopend is
  2. een stukje papier meestal voorzien van een plaklaag dat dient om aan te geven dat betaling heeft plaatsgevonden

Voorbeelden van "zegel" in een zin

  • Een zegel kan van papier, lak of zelfs van klei vervaardigd zijn.
  • Deze zegeltjes zijn niet meer geldig.

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘stempel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Vertalingen

Engelsseal, stamp
DuitsSiegel, Briefmarke
Spaanssello, sello