zeggen

/ˈzɛɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov, communicatie (ov), (communicatie) (meestal mondeling) mededelen, zich met gesproken taal uiten
    Hij zegt dat hij gewoon aanwezig was.
    Een van onze gedistingeerde gasten heeft mij ooit gezegd dat de monsters volgens hem niet waren bedoeld om vreemden buiten te houden, maar om de gasten te beletten de uitgang te bereiken. Het was jaren geleden dat hij dat zei, en hij is hier nog steeds. Zijn naam is Patelski. U zult hem ontmoeten.
    Toch nam ik het risico om door te lopen, in 10 kilometer teruglopen (backtracking zoals ze in de VS zeggen) had ik echt geen zin.
  2. ov, pregnant (ov), (pregnant) betuigen
    Ik zeg maar zo...
  3. ov, pregnant (ov), (pregnant) bevelen, gebieden, sommeren, verordonneren
    Ga daarheen, zeg ik je!
  4. ov (ov) van oordeel of mening zijn
    En, wat zeg je dáárvan?
  5. ov, pregnant (ov), (pregnant) iets in de vorm van kritiek, een berisping e.d. geven
    Jij hebt ook altijd wat te zeggen.
    Dat laat ik mij niet zeggen!
  6. ov (ov) betekenen, duiden op
    Wat wil dat zeggen?

Etymologie

:Noord: : säga, : sige, : si, (: seie, : segja), : segja, : siga

Uitdrukkingen

  • Bij zichzelf zeggenDenken, tegen zichzelf zeggen in gedachten
  • Boe noch bah zeggenNiets zeggen
  • Daar kun je donder op zeggenJe kunt er zeker van zijn dat dat zo is
  • Dat wil niets zeggenDat betekent niets
  • Gedag zeggenAfscheid nemen (vooral in een informele setting); ~ tegen, iets als verloren beschouwen
  • Geen kip/pap meer kunnen zeggenHelemaal verzadigd zijn met eten; volkomen uitgeput zijn
  • Iets/Niets te zeggen hebbenWel/Geen vorm van gezag hebben
  • Wie A zegt, moet ook B zeggenAls je eenmaal met iets bent begonnen, moet je dat ook helemaal afmaken

Vertalingen

Engelssay
Fransdire
Duitssagen
Spaansdecir
Italiaansdire
Portugeesdizer
Russischговорить, сказать
Turkssöylemek, demek
Poolsmówić, powiedzieć
Zweedssäga