zeggen
/ˈzɛɣə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov), (communicatie) (meestal mondeling) mededelen, zich met gesproken taal uitenHij zegt dat hij gewoon aanwezig was.Een van onze gedistingeerde gasten heeft mij ooit gezegd dat de monsters volgens hem niet waren bedoeld om vreemden buiten te houden, maar om de gasten te beletten de uitgang te bereiken. Het was jaren geleden dat hij dat zei, en hij is hier nog steeds. Zijn naam is Patelski. U zult hem ontmoeten.Toch nam ik het risico om door te lopen, in 10 kilometer teruglopen (backtracking zoals ze in de VS zeggen) had ik echt geen zin.
- (ov), (pregnant) betuigenIk zeg maar zo...
- (ov), (pregnant) bevelen, gebieden, sommeren, verordonnerenGa daarheen, zeg ik je!
- (ov) van oordeel of mening zijnEn, wat zeg je dáárvan?
- (ov), (pregnant) iets in de vorm van kritiek, een berisping e.d. gevenJij hebt ook altijd wat te zeggen.Dat laat ik mij niet zeggen!
- (ov) betekenen, duiden opWat wil dat zeggen?
Etymologie
:Noord: : säga, : sige, : si, (: seie, : segja), : segja, : siga
Uitdrukkingen
- Bij zichzelf zeggen — Denken, tegen zichzelf zeggen in gedachten
- Boe noch bah zeggen — Niets zeggen
- Daar kun je donder op zeggen — Je kunt er zeker van zijn dat dat zo is
- Dat wil niets zeggen — Dat betekent niets
- Gedag zeggen — Afscheid nemen (vooral in een informele setting); ~ tegen, iets als verloren beschouwen
- Geen kip/pap meer kunnen zeggen — Helemaal verzadigd zijn met eten; volkomen uitgeput zijn
- Iets/Niets te zeggen hebben — Wel/Geen vorm van gezag hebben
- Wie A zegt, moet ook B zeggen — Als je eenmaal met iets bent begonnen, moet je dat ook helemaal afmaken
Vertalingen
Engelssay
Fransdire
Duitssagen
Spaansdecir
Italiaansdire
Portugeesdizer
Russischговорить, сказать
Turkssöylemek, demek
Poolsmówić, powiedzieć
Zweedssäga
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek