zeilen
onzijdig (het)/ˈzɛɪlə(n)/
Wat is de betekenis van zeilen?
zeilen betekent: (techniek) voortgestuwd worden door de druk van de wind tegen een opgehouden zeil
Betekenis
werkwoord
- (techniek) voortgestuwd worden door de druk van de wind tegen een opgehouden zeil
- (scheepvaart) zich in een zeilboot met behulp van de wind over het water voortbewegen
- (sport) het beoefenen van het zeilen als sport
- (sport) ketsen, een steentje met een afgeplatte vorm scherend over een wateroppervlak gooien zodat het zo vaak mogelijk stuitert
- (figuurlijk) zich bewegen als een zeilend schip
zelfstandig naamwoord
- (sport) wedstrijdsport met zeilvaartuigen
- het reilen en zeilen: hoe dingen gebeuren
Voorbeelden van "zeilen" in een zin
- Op het strand zal weer met zeilwagens worden gezeild.
- Nog altijd is het rond de wereld zeilen een avontuurlijke onderneming.
- Hij zeilt voor Nederland tot na de Olympische Spelen.
- Zo'n ronde kiezel is niet geschikt om te zeilen.
- De gier zeilde traag rond op zijn gespreide vleugels.
Etymologie
*Werkwoord afgeleid van het zelfstandignaamwoord “zeil”
Uitdrukkingen
- een oogje in het zeil houden
- voor de wind zeilen — met de wind mee zeilen
- tussen de klippen door zeilen — alle hindernissen omzeilen
- de meeuw zeilt door de lucht — de meeuw zweeft door de lucht (vliegt zonder zijn vleugels te bewegen)
- de dronkaard zeilt over straat — zwalken
- met onbevaren volk is het slecht zeilen — met onervaren mensen kun je moeilijk samenwerken
Vertalingen
Engelssail, to sail, sail
Fransfaire de la voile, naviguer, cingler
Duitssegeln, segeln, Segeln
Spaansnavegar a vela
Deenssejle, sejle
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek