zeilen

onzijdig (het)/ˈzɛɪlə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. techniek (techniek) voortgestuwd worden door de druk van de wind tegen een opgehouden zeil
    Op het strand zal weer met zeilwagens worden gezeild.
  2. scheepvaart (scheepvaart) zich in een zeilboot met behulp van de wind over het water voortbewegen
    Nog altijd is het rond de wereld zeilen een avontuurlijke onderneming.
  3. sport (sport) het beoefenen van het zeilen als sport
    Hij zeilt voor Nederland tot na de Olympische Spelen.
  4. sport (sport) ketsen, een steentje met een afgeplatte vorm scherend over een wateroppervlak gooien zodat het zo vaak mogelijk stuitert
    Zo'n ronde kiezel is niet geschikt om te zeilen.
  5. figuurlijk (figuurlijk) zich bewegen als een zeilend schip
    De gier zeilde traag rond op zijn gespreide vleugels.
    Door een goede voorbereiding is hij vlot door zijn examens gezeild.
zelfstandig naamwoord
  1. sport (sport) wedstrijdsport met zeilvaartuigen
    Bij het onderdeel zeilen, staat het Nederlandse team er uitstekend voor.
  2. het reilen en zeilen: hoe dingen gebeuren
    Als je ergens voor het eerst gaat werken moet je eerst leren hoe het reilen en zeilen in het bedrijf gaat.

Etymologie

*Werkwoord afgeleid van het zelfstandignaamwoord “zeil”

Uitdrukkingen

  • een oogje in het zeil houden
  • voor de wind zeilenmet de wind mee zeilen
  • tussen de klippen door zeilenalle hindernissen omzeilen
  • de meeuw zeilt door de luchtde meeuw zweeft door de lucht (vliegt zonder zijn vleugels te bewegen)
  • de dronkaard zeilt over straatzwalken
  • met onbevaren volk is het slecht zeilenmet onervaren mensen kun je moeilijk samenwerken

Vertalingen

Engelssail, to sail, sail
Fransfaire de la voile, naviguer, cingler
Duitssegeln, segeln, Segeln
Spaansnavegar a vela
Deenssejle, sejle