zelf
vrouwelijk (de)/ˈzɛlᵊf/
Wat is de betekenis van zelf?
zelf betekent: in eigen persoon, niet een ander
Betekenis
voornaamwoord
- in eigen persoon, niet een ander
- in tegenstelling met iets anders
zelfstandig naamwoord
- eigen persoon (vaak gebruikt als eerste deel van een samenstelling om aan te geven dat het onderwerp en voorwerp van het tweede deel hetzelfde zijn)
- (psychologie) besef van identiteit
zelfstandig naamwoord
- (plantkunde) "salie", benaming voor planten uit het geslacht
Voorbeelden van "zelf" in een zin
- Zeg nou zelf, zou ik ooit zoiets doen?
- Zelf moest ik ook erg nodig naar de wc, maar ik durfde na dit verhaal absoluut niet meer naar buiten.
- Hij was zelf echter niet geraakt door de kogel.
- Mijn zelf is verweven met en wordt gedefinieerd door al het andere dat bestaat.
- Autisme. Het woord is nota bene afgeleid van 'zelf' in het Grieks, en nu zegt een van de belangrijkste autisme-theoretici dat autisten géén zelf bezitten.
Etymologie
*[B]: verkorting van "selve", dat teruggaat op Latijn "salvia" ""salie""
Uitdrukkingen
- Die zich zelf verhoogt, zal vernederd worden
- Kommandeer je hond en blaf zelf
- Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in — je kan het slachtoffer worden van je eigen snode plannen
- Zich zelf kunnen bedruipen
Vertalingen
Engelsmyself, yourself, himself
Fransmême, même
Duitsselbst, selbst
Spaansmismo, misma, propio
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek