zelf

vrouwelijk (de)/ˈzɛlᵊf/

Wat is de betekenis van zelf?

zelf betekent: in eigen persoon, niet een ander

Betekenis

voornaamwoord
  1. in eigen persoon, niet een ander
  2. in tegenstelling met iets anders
zelfstandig naamwoord
  1. eigen persoon (vaak gebruikt als eerste deel van een samenstelling om aan te geven dat het onderwerp en voorwerp van het tweede deel hetzelfde zijn)
  2. psychologie (psychologie) besef van identiteit
zelfstandig naamwoord
  1. plantkunde (plantkunde) "salie", benaming voor planten uit het geslacht

Voorbeelden van "zelf" in een zin

  • Zeg nou zelf, zou ik ooit zoiets doen?
  • Zelf moest ik ook erg nodig naar de wc, maar ik durfde na dit verhaal absoluut niet meer naar buiten.
  • Hij was zelf echter niet geraakt door de kogel.
  • Mijn zelf is verweven met en wordt gedefinieerd door al het andere dat bestaat.
  • Autisme. Het woord is nota bene afgeleid van 'zelf' in het Grieks, en nu zegt een van de belangrijkste autisme-theoretici dat autisten géén zelf bezitten.

Etymologie

*[B]: verkorting van "selve", dat teruggaat op Latijn "salvia" ""salie""

Uitdrukkingen

  • Die zich zelf verhoogt, zal vernederd worden
  • Kommandeer je hond en blaf zelf
  • Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf inje kan het slachtoffer worden van je eigen snode plannen
  • Zich zelf kunnen bedruipen

Vertalingen

Engelsmyself, yourself, himself
Fransmême, même
Duitsselbst, selbst
Spaansmismo, misma, propio