zeurderigheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate van zeurderig zijn
    ‘Ze maakten zich zorgen om elkaars cholesterolgehalte en aambeien en eventuele kwaadaardige gezwellen, en bezorgden de artsen veel vermaak.’ Zoals uit deze zin valt af te leiden geeft de schrijver in zijn laatste roman duidelijker (en wreder) dan voordien auctorieel commentaar. Mishima beschrijft de ouderdom van zijn geesteskinderen als een kwaal, aangewakkerd door ‘zeurderigheid, vooringenomenheid, vijandigheid tegenover de jeugd, een overdreven aandacht voor details, angst voor de dood, ergernis ... (en) koppigheid’. Frans Boenders De Gids. Jaargang 152(1989) [https://www.dbnl.org/tekst/_gid001198901_01/_gid001198901_01_0146.php Frans Boenders Een gelaagde zee Over Mishima's De zee van de vruchtbaarheid ]
    Al op de eerste pagina maakt Andriesse duidelijk waartegen hij zich afzet: ‘de sufheid, de kleurloosheid, de d'66-mentaliteit, de krachteloosheid, de lusteloosheid, de zeurderigheid, de verpaapsing, de bangigheid, de toenemende religiositeit en vroomheid, de keurigheid en het fatsoen, het verbod en de censuur, de gezapigheid en zelfgenoegzaamheid van de machthebbers en mandarijnen, de eenvormigheid en de vormelijkheid, het formalisme, het oprukken van een nieuw Biedermeier-tijdperk, het conformisme, de behoudzucht, de Nieuwe Braafheid!’ Tonnie Luiken De Parelduiker. Jaargang 1(1996)– [tijdschrift] Parelduiker, De [https://www.dbnl.org/tekst/_par009199601_01/_par009199601_01_0043.php Schrijver bijt zichzelf Kamikaze (1982) van Peter Andriesse ]

Etymologie

* afleiding van zeurderig