zich
/zɪx/
Wat is de betekenis van zich?
zich betekent: derde persoon enkelvoud en meervoud
Betekenis
voornaamwoord
- derde persoon enkelvoud en meervoud
- (formeel) uzelf
- ~ iets geeft een onbedoeld resultaat aan bij vele (ook onovergankelijke) werkwoorden
Voorbeelden van "zich" in een zin
- Hij wast zich onder de douche.
- Zelfs zij waren zich rot geschrokken van de klap, en beseften dat het nu menens was.
- U kunt zich daar wassen en omkleden.
- Hij lachte zich een bult.
- Hij viel zich een ongeluk.
Etymologie
:Oost: : sik
Uitdrukkingen
- Zich (te) sappel maken — zich (te) druk over iets maken
- Zich aan een ander spiegelen — zich vergelijken met een ander
- Zich de kaas niet van het brood laten eten — Voor het eigen belang opkomen
- Zich de tandjes werken
- Zich een aap lachen — heel erg lachen
- Zich een hoedje schrikken — zich enorm schrikken
- Zich er met Jantje van Leiden afmaken — Onzorgvuldig zijn en weinig aandacht aan het werk besteden
- Zich gedeisd houden.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek