zich

/zɪx/

Betekenis

voornaamwoord
  1. derde persoon enkelvoud en meervoud
    Hij wast zich onder de douche.
    Zelfs zij waren zich rot geschrokken van de klap, en beseften dat het nu menens was.
  2. formeel (formeel) uzelf
    U kunt zich daar wassen en omkleden.
  3. ~ iets geeft een onbedoeld resultaat aan bij vele (ook onovergankelijke) werkwoorden
    Hij lachte zich een bult.
    Hij viel zich een ongeluk.

Etymologie

:Oost: : sik

Uitdrukkingen

  • Zich (te) sappel makenzich (te) druk over iets maken
  • Zich aan een ander spiegelenzich vergelijken met een ander
  • Zich de kaas niet van het brood laten etenVoor het eigen belang opkomen
  • Zich de tandjes werken
  • Zich een aap lachenheel erg lachen
  • Zich een hoedje schrikkenzich enorm schrikken
  • Zich er met Jantje van Leiden afmakenOnzorgvuldig zijn en weinig aandacht aan het werk besteden
  • Zich gedeisd houden.