zichzelf

/zɪxˈsɛlᵊf/

Wat is de betekenis van zichzelf?

zichzelf betekent: derde persoon enkelvoud en meervoud, versterkte vorm van zich

Betekenis

voornaamwoord
  1. derde persoon enkelvoud en meervoud, versterkte vorm van zich
  2. tweede persoon enkelvoud en meervoud beleefdheidsvorm, versterkte vorm van zich

Voorbeelden van "zichzelf" in een zin

  • Hij bekeek zichzelf in de spiegel.
  • In de garage stonden honderden resupplydozen met voedsel die hikers aan zichzelf hadden gestuurd.
  • Heeft u zichzelf wel eens in de spiegel bekeken?

Betekenis en uitleg van zichzelf

Het woord 'zichzelf' verwijst naar het eigen individu, de persoon die spreekt of handelt. Het wordt gebruikt om aan te geven dat iemand iets doet of ervaart met betrekking tot zijn of haar eigen identiteit.

'Zichzelf' wordt vaak gebruikt in zinnen waar de nadruk ligt op persoonlijke ervaringen of acties die iemand voor of met zichzelf onderneemt. Het kan helpen om een reflexieve betekenis aan een zin toe te voegen, zoals bij zelfreflectie of zelfzorg. In situaties waar je spreekt over persoonlijke ontwikkeling of verantwoordelijkheden, komt het woord vaak van pas.

Voorbeelden

  • Hij leerde zichzelf programmeren om zijn eigen website te bouwen.
  • Ze gaf zichzelf een dag vrij om te ontspannen en op te laden.
  • Hij keek in de spiegel en vroeg zich af wie hij eigenlijk zichzelf was.

Woordoorsprong

Het woord 'zichzelf' is samengesteld uit het voornaamwoord 'zich' en het bijvoeglijk naamwoord 'zelf', dat de eigen identiteit aanduidt.

Veelgestelde vragen over zichzelf

Wat is de betekenis van zichzelf?

zichzelf betekent: derde persoon enkelvoud en meervoud, versterkte vorm van zich

Hoeveel betekenissen heeft zichzelf?

zichzelf heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Hoe gebruik je zichzelf in een zin?

Voorbeeld: “Hij bekeek zichzelf in de spiegel.

Etymologie

* In de betekenis van ‘wederkerend voornaamwoord’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1515

Vertalingen

Engelsoneself, himself, herself
Fransse
Duitssich, sich selbst
Spaansse
Italiaanssi