zieden
/ˈzidə(n)/
Wat is de betekenis van zieden?
zieden betekent: (ov) droogkoken, [grondstoffen] zuiveren of raffineren door ze aan de kook te brengen; met name van pekel of suiker of zeep
Betekenis
werkwoord
- (ov) droogkoken, [grondstoffen] zuiveren of raffineren door ze aan de kook te brengen; met name van pekel of suiker of zeep
- (ov) [een chemische verbinding] bereiden door de grondstoffen te koken; met name van zeep, verf of vernis
- (erga) koken, zo heet zijn dat het kookpunt bereikt wordt
werkwoord
- koken
- (inerg), (figuurlijk) ~ van [een (meestal negatieve) emotie]; hevig beroerd worden
Voorbeelden van "zieden" in een zin
- In Zwijndrecht werd vroeger gezoden ter wille van de zoutwinning.
- Het productieproces van zeep begon vroeger door vet samen met loog te zieden, zodat het vet verzeepte.
- Laat de pan eerst heet worden, doe er dan boter in tot deze ziedt en leg ten slotte het vlees erbij.
- Toen Agamemnon hem zijn beloofde krijgsbuit Bryseis onthield, ziedde Achilles van woede en trok zich terug in zijn tent.
Etymologie
*Van het Oergermaanse *seuþan ("koken, zieden"). Cognaten zijn onder meer het Oufriese siatha (Fries siede), het Oudsaksische sioðan, het Oudhoogduitse siodan (Duits sieden), het Oudengelse sēoþan (Engels seethe) en het Oudnoorse sjóða (Zweeds sjuda).
Uitdrukkingen
- geraffineerd op basis van ruw zout, niet van een andere zilte stof
- zieden van woede — uitzonderlijk kwaad zijn
Vertalingen
Duitskochen, sieden, kochen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek