ziederij
vrouwelijk (de)/ˌzidəˈrɛi/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bedrijf) werkplaats waar producten worden gemaakt door een vloeistof te kokenKromhout ontwierp in zakelijk-expressionistische stijl ook diverse uitbreidingen voor de in 1873 te Rotterdam gestichte Heinekens bierbrouwerij (…). Van het in 1968 gesloten bedrijf resteren de hoge ziederij (…) aan de singel en het kantoorgebouw (…).
- bedrijf dat zeep bereidt door vet met loog te ziedenJohann Peter kocht de failliete boedel van deze al sinds 1733 bestaande ziederij van zachte groene zeep in 1854 op, breidde het assortiment uit met harde toiletzeep en bracht het zaakje tot bescheiden bloei.
- bedrijf dat zout wint door pekel te verdampenAan de Westkeet was de zoutziederij De Bondt de laatste. Deze ziederij, die bestond sinds 1687 en sinds 1823 in handen was van de familie De Bondt, sloot haar deuren in 1957.
Etymologie
* van "zieden"
Vertalingen
Engelsboilery, soapery
DuitsSeifenfabrik
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek