zifting

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het electief verwijderen van iets; iets in verschillende componenten verdelen
    De spreekwijzen der Schrift kennen aan de duivel een „ingeving in het hart” toe (Johannes 13:2), een „verblinding van het gemoed” (2 Korinthe 4:4), een „zifting van het geloof in het hart” (Lukas 22:31), een „ingang in de mens” (Lukas 22:3, Johannes 13:27), een „vervulling des harten” (Handelingen 5:3) en een „geest der verleiding en leugen in de mond” bij de profeten van Achab (1 Koningen 22).

Etymologie

* van ziften