zijpoort

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈzɛiport/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. toegang tot een gebouw of terrein aan de linker- of rechterkant daarvan, vaak als aanvulling op de hoofdingang
    Enkele uren voordat Franciscus vanaf zijn balkon de menigte toesprak, liet hij zich onverwachts zien bij een van de zijpoorten van het Vaticaan.