zinkstuk
onzijdig (het)/zɪŋkstɵk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- drijvende mat van wilgentenen die met stenen verzwaard wordt om als basis voor een nieuwe dam te dienen of om de bodem tegen uitschuring te beschermenZinkstukken met een riet kern zijn inmiddels een verouderde methode van bodembescherming, men gebruikt hiervoor nu een kuststofdoek.
- (techniek) onderdeel dat bestemd is om naar de waterbodem te zinkenHet meetinstrument bestaat uit een drijver, verbonden aan een zinkstuk.
- losgeraakte onderdelen die uit het metaal zink vervaardigd zijnHet zinkstuk was afkomstig van de constructie die het houtwerk tegen regen moest beschermen.
- (numismatiek) (pejoratief) muntstuk van zink zoals dat in de bezettingstijd vervaardigd werdZo'n zinkstuk werd als symbool van de gehate bezetter gezien.
Etymologie
*[4] , naar het voorbeeld van goudstuk
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek