zittingsperiode

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tijd dat iets of iemand een bepaalde functie vervult
    Nederland staat er financieel weer goed voor. Het Centraal Planbureau (CPB) presenteerde vrijdag mooie cijfers. Als het nieuwe kabinet niets doet, houdt het aan het einde van zijn zittingsperiode 11 miljard euro per jaar over.
  2. tijd dat een vergadering, college of raad bij elkaar komt
    De Kamervoorzitter van de vorige zittingsperiode, Khadija Arib, leidde de vergadering. Ze sprak haar medeleven uit met haar Britse collega's, die woensdag werden opgeschrikt door een terroristische aanslag bij het parlement in Londen.

Vertalingen

Engelsterm of office