zodenbemester

mannelijk (de)/ˈzodə(n)bəˌmɛstər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. landbouw (landbouw) werktuig dat smalle sleuven in de grond maakt, daar drijfmest in spuit en ze daarna weer dichtdrukt, zodat de mest vooral bij de plantenwortels terechtkomt en niet in de omgeving belandt
    Door middel van een ‘mestinjecteur’ wordt de mest rechtstreeks in de gespoten en de ‘zodenbemester’ snijdt netjes plakjes grond los om daar mest onder te spuiten.

Etymologie

*samenstellen afgeleid uit "zode" en "bemesten" , geschreven met een tussen-n volgens