Zolder
mannelijk (de)/ˈzɔldər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) een houten vloer over een balklaag
- (vertrek) de ruimte tussen de bovenste vloer en de onderste kapspanten, plaats om goederen op te slaanHaal jij die dozen even van de zolder?'Otto, wil jij stiekem wat turf van de zolder halen? Juffrouw Maren merkt het toch niet.Geachte Sir Peter, het was me een groot genoegen dat ik in '57 het schilderij bij u op zolder aan Rembrandt heb kunnen toeschrijven.
- (bouwkunde) ruimte onder een (schuin) dak
Etymologie
**solarium «zonnebank»
Uitdrukkingen
- Een schat op zolder — Iets kostbaars of zeer waardevols waarvan het bestaan niet of nauwelijks bekend is
- Er is nog kabel op zolder — Het is nog in voorraad
- Hoe hoger de zolder, hoe leger de vloer — Als iemand meer over iets praat, duidt dat er vaak op dat die er juist weinig van weet
- Iemand op zijn achterste zolder jagen — Iemand beledigen
- Kippen op zolder houden — Op een vreemde manier het huishouden doen, de woning op een vreemde manier inrichten
- Op een papieren zolder dansen — Iets gevaarlijks ondernemen
- Snoeken op zolder zoeken — Tevergeefs iets proberen/iets nutteloos doen
- Zijn koe staat op zolder — Hij bezit niets
Vertalingen
Engelsattic
Fransgrenier
DuitsDachgeschoss, Dachboden
Spaansaltillo, desván, ático
Poolsstrych
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek