zomervogel

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈzomərˌvɔɣəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) benaming voor dagvlinders uit de orde
    Die zo tot mijn verbeelding sprekende rouwmantels in het Noorse - waar een vlinder heel toepasselijk zelfs ‘zomervogel’ wordt genoemd - moesten op de een of andere manier, in een holle boom of hooischuur, barre winterkou hebben getrotseerd om daar al zo vroeg acte de présence te kunnen geven.
  2. benaming voor trekvogels die alleen in de warme periode van het jaar te zien zijn
    Hoewel de koekoek als zomervogel bekend stond, bejegende men deze vogel vaak ook minder vriendelijk.

Etymologie

*, omdat het een vliegend dier is dat in de warmste maanden van het jaar te zien is