zonde
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈzɔndə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) overtreding van een goddelijke wet of regelHet is natuurlijk een zonde om op kerstavond te applaudisseren, gelukkig dat ik niet de moraal van mijn grootmoeder heb geërfd.Michael geloofde dat zijn zonde op zijn kinderen zou worden overgeërfd en dat geen van hen ouder zou worden dan drieëndertig, de leeftijd waarop Jezus stierf.Uw lust is gehoord en gezien, maar uw zonde ook.
- (figuurlijk) overtreding van een door mensen gestelde normHet is zonde dat mijnheer alle suiker van Agnes in het buitenland verkoopt.
Etymologie
*: "zon" met de uitgang -de
Uitdrukkingen
- zonde van de tijd — verspilling van de moeite
Vertalingen
Engelssin, pity
Franspéché, dommage, regrettable
DuitsSünde
Spaanspecado
Italiaanspeccato
Japans罪, つみ, tsumi
Poolsgrzech
Zweedssynd
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek