zuiderling

mannelijk (de)/ˈzœʏdərlɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand uit het zuiden
    Ze moesten het materiaal dus verwarmen met vuur en bovendien een systeem bedenken om de stammen boven het vuur om te draaien op ongeveer dezelfde manier als zuiderlingen schapenlichamen boven open vuur roteerden.

Etymologie

*afleiding van zuid dat een mannelijke persoon aanduidt