zuur

onzijdig (het)/zyr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vloeistof, die een verhoogde concentratie waterstofionen bevat
  2. kookkunst (kookkunst) gebruikt om voedsel te conserveren of een kenmerkende smaak te geven
  3. scheikunde (scheikunde) een chemische stof die in water opgelost in staat is waterstofionen af te splitsen: arrheniuszuur
  4. scheikunde (scheikunde) een molecuul of ion dat in staat is waterstofionen af te splitsen: brønstedzuur
  5. scheikunde (scheikunde) een molecuul of ion dat in staat is een elektronpaar te accepteren: lewiszuur
  6. het ~ hebben: aan pyrosis lijden
  7. geologie (geologie) felsisch (verouderd)
  8. figuurlijk (figuurlijk) onprettige gewaarwording
    De hemel van de zomer verjaagt het zuur van de stad, zong Charles Trenet al: 'Wij zijn gelukkig, Route Nationale 7.'
  9. figuurlijk (figuurlijk) negatieve stemming door eerdere teleurstelling

Etymologie

:Noord: : sur, : sur, : sur, (: súrr), : súr, : súrur

Uitdrukkingen

  • Eerst het zuur en dan het zoet[7] pas na vervelende maatregelen volgen plezierige besluiten
  • Zuur opbrekenergens mee in moeilijkheden komen (later)
  • Zuur zijnStoett-2671 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
  • door de zure appel heen bijten[1] iets doen hoewel men er erg tegenop ziet
  • een schip met zure appels zijn/komen[1] iemand begint bijna met huilen ofwel: het naderen van een zware bui
  • het leven zuur maken[2] voortdurend kwellen
  • iets gaat/zal iemand zuur opbreken[2] iets gaat/zal iemand ernstige problemen en/of frustraties bezorgen
  • zuur kijken[3] er ontevreden uitzien

Vertalingen

Engelsacid, heartburn, sour
Fransacide, acide, sur
DuitsSäure, Sodbrennen, sauer
Spaansácido
Poolskwas, kwaśny
Zweedssyra, sur
Deenssyre, sur