zuurbal

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geel gekleurd, zuursmakend, bolvormig snoepje waarop men kan zuigen
    Ik heb vast van die verloren zuurbal gedroomd vannacht en daarbij hard nee geschud, daarom zat mijn haar natuurlijk zo gek. Want het zat wel erg gek, Dé vroeg vanochtend meteen of ik mislukte krulspelden had gezet. NRC 6 augustus 1993 [https://www.nrc.nl/nieuws/1993/08/06/de-blije-terugkeer-van-het-meisjesboek-7191722-a1372397 De Blije Terugkeer van het Meisjesboek]
    En die heerlijke kramen op de vismarkt. Die geuren. Paling. Zuurstokken. Oliebollen. Het water loopt me in de mond als ik er aan denk. Ik had een tante die in een kraam stond waar ze samen met haar man levensgrote slagroomsoezen verkocht. Als haar man even niet keek stopte ze je er gauw een paar toe, terwijl die man, die gierigaard, er om de haverklap zelf een in zijn mond stak. Een dikke zuurbal, waarvan je verhemelte helemaal ruw werd van het zuinige gezuig. Of als je geluk had, dus geld, een zuurstok, waarvan ik nu nog steeds niet weet of ik die rose nu lekkerder vond dan die bruine met kaneel. NRC Jean-Paul Franssens 6 december 1993 [https://www.nrc.nl/nieuws/1993/12/06/ze-zijn-gewaarschuwd-7205857-a358323 Ze zijn gewaarschuwd]