zwalken

/ˈzʋɑl.kə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg, scheepvaart (inerg) (scheepvaart) op zee ronddolen, dobberen
    ' 'In een open bootje op zee zwalken,' mompelde ik.
  2. inerg (inerg) (bij uitbreiding) doelloos en ongecontroleerd zich voortbewegen
    De dronken zwerver zwalkte over de weg.

Etymologie

* Herkomst onduidelijk, mogelijk een mengvorm van "zwerven" en "walken". In de betekenis van ‘ronddolen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1784.