zwalkend

/ˈzʋɑl.kənt/

Betekenis

werkwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) ronddolend, zich doelloos op zee voortbewegend, ronddobberend (op een schip)
  2. figuurlijk (figuurlijk) doelloos, zonder vooropgezet plan voortgaand, voortbewegend
    Een halve eeuw zwalkend drugsbeleid in Nederland gaf ruimte aan een nieuwe generatie cocaïnebaronnen. Hoe kon Taghi zó groot worden?
    Bij het Jesse-bashen, noteert Ton den Boom in zijn taalrubriek in Trouw, vielen nogal wat woorden uit het zelfde woordveld: 'gedraai', zwalkend optreden', 'onverwachte wending', 'draai', 'gezwabber'. Klaver werd, kortom, wispelturig gevonden. En: 'Wie wispelturig heet te zijn, is niet geschikt als bedrijfspoedel van Rutte.'