zwart-wittegenstelling

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een tegenstelling zonder tussenvormen
    Maar volgens Balkenende moet er vooral geen „zwart-wittegenstelling” worden gecreëerd tussen bezuinigen (Europa) en investeren (VS). „Het is vooral van belang onderling af te stemmen en van elkaar te leren.”
    Zo wordt een complexe realiteit versimpeld tot een simpele zwart-wittegenstelling met een morele lading.
    Gemengdheid is de normaalstand van de wereld. Wie over politiek en etniciteit wil spreken, moet van de schakering uitgaan, en niet van de zwart-wittegenstelling.