zwartepieten
/ˌzwɑrtəˈpitə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) (spel) het kaartspel spelen waarbij schoppenboer zwartepiet heet en de meeste strafpunten oplevertToen ze aan het zwartepieten waren, vergaten ze even de tijd.Wat heeft de godsdienstige overtuiging te maken met het spel! Weldra verwachten wij nu dat, dit voetspoor volgende, moravische broeders een broeder zullen vragen om mede scheepje te zeilen of te zwarte-pieten; en een christelijk afgescheidene onder het kruis een ander van dezelfde geloofsovertuiging bidt om met hem cricquet te spelen.
- (inerg) (figuurlijk) voortdurend elkaar de schuld proberen te gevenZit toch niet telkens te zwartepieten, jullie twee!
Etymologie
* afgeleid van "zwartepiet" , in de betekenis van ‘kaartspel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1872 (zie vindplaats hieronder)
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek