zwartheid

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. donkerheid
    Met zijn hoevelen waren ze? En wat zagen ze wanneer ze in deze zwartheid keken? Haar hand bewoog zich over haar riem en ze liefkoosde de gasfles die eraan hing.
  2. somberheid
  3. zwartgalligheid
  4. snoodheid
  5. schandelijkheid

Etymologie

* Afgeleid van zwart