zwatelen
/ˈzwatələ(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) een lispelend, ruisend geluid makenDe bladeren zwatelden in de avondbries.
- (inerg) zinloos doorpraten, nietszeggende woorden sprekenEn die man zwatelde nog een uur over ik weet niet wat.
- tweede betekenisomschrijving.Zin met het zwatelen in de tweede betekenis erin.
- enz.
Etymologie
*(freqtt) zwetsen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek