zwatelen

/ˈzwatələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) een lispelend, ruisend geluid maken
    De bladeren zwatelden in de avondbries.
  2. inerg (inerg) zinloos doorpraten, nietszeggende woorden spreken
    En die man zwatelde nog een uur over ik weet niet wat.
  3. tweede betekenisomschrijving.
    Zin met het zwatelen in de tweede betekenis erin.
  4. enz.

Etymologie

*(freqtt) zwetsen