zwavel
mannelijk (de)/zʋavəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheikunde), (element), (mineraal) scheikundig element met symbool S en atoomnummer 16. Het is een geel niet-metaal- Voor het feit dat een deel van de energie die bij deze snelle uitzetting vrijkwam, kon stollen tot deeltjes, die met elkaar de lichte waterstof-, lithium- en heliumatomen vormden, waarna deze uitgroeiden tot clusters die sterren voortbrachten met een gloeiende vloeibare kern, waarin alle elementen tot stand kwamen - koolstof, stikstof, zuurstof, zwavel en fosfor - die nodig waren voor de vorming van de voor het leven onontbeerlijke nucleïnezuren.Hij rook sterk naar zwavel, en als men het op een kledingstuk liet zitten, zou er een gat in branden.
Etymologie
*De naam zwavel komt uit het sanskriet waar het sulvere werd genoemd.
Vertalingen
Engelssulphure
Franssoufre
DuitsSchwefel, Sulfur
Spaansazufre
Italiaanszolfo
Portugeesenxofre
Turkskükürt
Poolssiarka
Zweedssvavel
Deenssvovl
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek