zwelgen

/ˈzwɛlɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. gulzig, onmatig opeten of -drinken
    Homeopathische pilletjes en middeltjes mag u slikken en zwelgen tot u een ons weegt: het gaat gewoon om geschud water of suikerbolletjes.
    {{ouds
  2. figuurlijk (figuurlijk) zich onmatig verlustigen, zich te buiten gaan aan
    Van haar ex onthield ze alleen leuke dingen, waardoor ze ging „zwelgen in liefdesverdriet”.

Etymologie

*(erfwoord) van Middelnederlands "swelghen" "gulzig opeten of -drinken; doorslikken", uit Oergermaans *swelgan- "zwelgen, verslinden", in de betekenis van ‘zich te buiten gaan aan’ aangetroffen vanaf 1240; cognaat met "schwelgen" "zich te buiten gaan aan; (vero.) zwelgen", "swolgje" "zwelgen" en "swallow" "doorslikken"

Vertalingen

Engelsgulp down, gobble up, guzzle
Fransingurgiter, engloutir, délecter
Duitsschlemmen, prassen, schwelgen
Spaansengullir, tragar, deleitar
Italiaansindulgere, crogiolarsi