zwichten

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) toegeven, wijken; het moeten afleggen
    De vijand zwichtte onder de druk van de onverwachte hevige aanval.
    De koning had zijn schoonzus op het hart gedrukt niet te zwichten voor chantage.
  2. ov, molenaarsambacht (ov), (molenaarsambacht) het aanpassen van de zeilvoering op de wieken i.v.m. de windsterkte
    Bij sterkere wind moet je de molen zwichten door zeil te minderen, bij zwakkere wind juist meer zeil spannen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘wijken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1401

Vertalingen

Engelsyield, surrender
Spaansceder, rendirse