zwiepen

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) veerkrachtig doorbuigen en weer terugspringen
    Het kind zwiepte heen en weer op de trampoline.
    Omdat het bemoste stenen pad glad was, liep ik ernaast, op het natte, harde jonge gras, zwaaiend met de lege ketel om de regendruppels uit het hoge siergras te zwiepen.
  2. ov (ov) iets snel verplaatsen
    De man werd door de golf tegen de mast gezwiept.

Etymologie

*afgeleid van zweep

Vertalingen

Engelssway, swing