zwijm

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. flauwte, bewusteloosheid
    In zwijm vallen: flauwvallen.
    Daarna werd ze half in zwijm, gehuld in jute met klompen aan de voeten, weggedragen naar de Salpêtrière om daar gedurende de rest van haar leven te blijven, levend op zwart brood en linzen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘flauwte’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351