zwijn
onzijdig (het)/zwɛin/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (evenhoevigen) benaming voor zoogdieren uit de familie , waarvan de mannetjes slagtanden hebbenEen geschoten zwijn roosterde je in zijn geheel aan een draaiend spit.
- (scheldwoord) (figuurlijk) iemand die zich vies, onbeschaafd of zeer slecht gedraagt
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "swijn" van Oudnederlands "swin", in de betekenis van ‘hoefdier’ als deel van een plaatsnaam aangetroffen vanaf de 10e eeuw
Vertalingen
Engelspig, hog, swine
Franscochon, porc
DuitsSchwein
Spaanscerdo, puerco
Italiaansmaiale
Russischсвинья
Chinees豬, 猪
Japans豚
Turksdomuz
Poolsświnia
Zweedsgris, svin
Deenssvin
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek