zygote
mannelijk/vrouwelijk (de)/ziˈɣotə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (biologie) eerste, eencellige stadium van een organisme in wording, vlak na de versmelting van twee haploïde gameten, bijvoorbeeld de bevruchting van een eicel door een zaadcel
Etymologie
*via "zygote" van "ζυγωτός" (zugootós) "door een juk verbonden, een span vormend"
Vertalingen
Spaanscigoto
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek