Baars

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. straalvinnigen (straalvinnigen) , roofvis met rode stekelvinnen, die voorkomt in zoetwater
    We konden natuurlijk op baars gaan vissen bij de steiger. Maar de baarzen waren tamelijk klein, ze zagen eruit als Oostzeeharing wanneer je ze had gefileerd. Om een maaltijd met baars bij elkaar te krijgen, moesten we er vijftien, twintig vangen, ook als we er alleen met oma en Frau Gisela waren.
zelfstandig naamwoord
  1. kuipersbijl
  2. onervaren

Etymologie

*[B] (erfwoord): Vroegnieuwnederlands bardse, aanpassing van Middelnederlands ba(e)rde ‘brede bijl’ (als in bardezaan, hellebaard). Evenals Oudsaksisch barda, Duits Barte ‘brede bijl, aks’ en misschien Oudnoords barða ‘strijdbijl’.

Vertalingen

Engelsperch
Fransperche
DuitsBarsch, Flussbarsch
Spaansróbalo, robalo, lubina
Italiaanspersico
Portugeesperca
Zweedsabborre
Deensaborre