Bark
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈbɑrᵊk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart) bepaald type zeilschip met drie of meer mastenGisteren zagen we een heel mooie bark varen.
Etymologie
*via Middelnederlands "bargh" van "barque", in de betekenis van ‘type zeilschip’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1370
Vertalingen
Engelsbarque
Franstrois-mâts
DuitsBark
Spaansbarca
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek