barkas

mannelijk/vrouwelijk (de)/bɑr'kɑs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) grootste (reddings)sloep aan boord van een schip

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zwaarste sloep’ voor het eerst aangetroffen in 1718

Vertalingen

Engelslaunch, longboat