bes

mannelijk/vrouwelijk (de)/bɛs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. erfwoord, fruit (erfwoord) (fruit) kleine vrucht
    Wij aten bessen bij het dessert.
    Dagenlang liep ik door bergweides die bezaaid waren met ontelbare bosbessenstruiken. Om de haverklap stopte ik om de zoete bessen te plukken waardoor mijn handen paars kleurden van hun sap.
zelfstandig naamwoord
  1. informeel, persoon (informeel), (persoon) oude en vaak ook kleine vrouw
zelfstandig naamwoord
  1. muziek (muziek) een met een halve toon verlaagde "b"
    De toon “bes” klinkt in de getempereerde stemming, gelijk aan de toon “aïs”.
  2. muziek (muziek) de grondtoon (tonica) van de “bes-mineurtoonladder”, tevens een korte aanduiding van die toonladder
    Op de notenbalk van een sonate in bes, staan vijf mollen.
  3. muziek (muziek) de grondtoon van het “bes-mineurakkoord”, de kleine drieklank op de eerste trap (tonica-akkoord) van de kleinetertstoonladder op die toon
    De drie tonen van het bes-mineurakkoord (symbool: B♭m) in grondligging, zijn: bes - des - f.

Etymologie

*[C] b (3)

Vertalingen

Engelsberry, B-flat, B-flat minor
Fransbaie, si bémol, si bémol mineure
DuitsBeere, b, b-Moll
Spaansbaya
Italiaansbacca
Russischягода
Zweedsbär