Bos
onzijdig (het)/bɔs/
Wat is de betekenis van Bos?
Bos betekent: (ecologie) groep bomen
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (ecologie) groep bomen
- (ecologie) oerwoud, regenwoud (met name in Suriname)
- een bundel stelen of vezels
Voorbeelden van "Bos" in een zin
- Hij ging wandelen in het bos.
- Volgens de overlevering vluchtten meisjes uit Plancher-Les-Mines gedurende de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) de bossen in om te ontkomen aan bloeddorstige huurlingen in dienst van de Zweedse bezetter.
- De Zweedse bossen konden kant-en-klare stammen van twintig meter leveren, maar voor het werk met de palen in de rivier hadden ze de dubbele lengte nodig.
- Dienst 's Lands Bosbeheer (LBB).[http://rgb.gov.sr/diensten/dienst-s-lands-bosbeheer-lbb/ Dienst 's Lands Borbeeher Suriname]
- Hij bracht een bosje bloemen mee.
Etymologie
* In de betekenis van ‘bundel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1252
Uitdrukkingen
- Aan een balk die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden voor hij in het huis past — Wie zich ergens bij aansluit (een vereniging, groepering, sekte e.d.) moet veel nieuws aangeleerd krijgen
- Door de bomen het bos niet meer zien — Door een overvloed aan informatie het overzicht verliezen
- Hout naar het bos dragen — Zinloos werk doen
- Huilen met de wolven in het bos — Iets onderschrijven waar men het eigenlijk niet mee eens is omdat anderen dit ook doen, om een bepaald voordeel te krijgen e.d.
- Iemand het bos insturen — Iemand met een smoes afschepen
- In het bos grootgebracht zijn — Geen manieren hebben, lomp en/of onbeschoft zijn
- 's Kinds willeken groeit in den bos. — Een kind mag niet doen wat het zelf wil, maar moet zijn ouders gehoorzamen
- Men mag in iemands anders bos niet jagen. — Je moet je niet bemoeien met andermans zaken
Vertalingen
Engelsforest, bouquet
Fransbois, bouquet
DuitsWald, Bund, Bündel
Spaansbosque, ramo
Italiaansforesta
Portugeesbosque
Poolslas
Zweedsskog
Deensskov
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek