Driehoek

mannelijk (de)/ˈdrihuk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. meetkunde (meetkunde) tweedimensionale geometrische vorm, bestaande uit 3 hoeken en 3 zijden
    Elke driehoek heeft 180 graden.
  2. politiek (politiek) overlegorgaan in Nederland, bestaande uit vertegenwoordigers van politie, het Openbaar Ministerie en een lokale overheid
    De driehoek van politie, justitie en gemeente.

Etymologie

*van Middelnederlands "driehoec", op te vatten als , in de betekenis van ‘deel van plat vlak door drie lijnen ingesloten’ voor het eerst aangetroffen in 1351

Vertalingen

Engelstriangle
Franstriangle
DuitsDreieck
Spaanstriángulo
Italiaanstriangolo
Russischтреугольник
Poolstrójkąt
Zweedstriangel
Deenstrekant