Ekster

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɛkstər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zangvogels (zangvogels) bepaald soort zwartwitte kraaiachtige vogel, , met een lange staart
    Er zit een ekster in de boom.
    Mijn gouden ring is gestolen door een ekster.

Etymologie

* In de betekenis van ‘zangvogel’ voor het eerst aangetroffen in 1287

Vertalingen

Engelsmagpie
Franspie
DuitsElster
Spaansurraca, picaza, marica
Italiaansgazza
Portugeespega
Russischсорока
Japansカササギ
Zweedsskata
Deensskade