Enk

mannelijk (de)/ɛŋk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. akkergronden bij een nederzetting die door eeuwenlange bemesting een hoogte in het landschap vormen
    Werden in het noordoosten van Apeldoorn vooral villa's gebouwd, in het zuidwesten - op de Apeldoornse enk - bouwde men vooral middenstandswoningen (Korte Nieuwstraat).
    Het bijeenliggend bouwland bij de oudste buurschappen heet "eng" of "enk", waarvoor echter "veld" vroeg optreedt: bij de buurschap Lool hoort het "Loolseveld" (…), maar ook de oudere huisnaam "Overink" (1399 "toe Averhingh" 'aan gene zijnde van de Enk, …).

Etymologie

*(erfwoord) van Middelnederlands "enc" en Oudnederlands "engi" dat weer teruggaat op "angar" "ongeploegd grasland", in de betekenis "bouwland" als onderdeel van plaatsnamen aangetroffen vanaf 801