enkel
mannelijk (de)/ˈɛŋkəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (m) (anatomie) gewricht dat de voet met het been verbindt'Met deze voet zal ik jullie niet meer kunnen gidsen,' zegt Giorgos, die zijn schoen inmiddels heeft uitgetrokken. Zijn enkel is dik en paars geworden.Vanwege het gebrek aan steun echter moesten mijn enkels erg wennen aan het oneffen terrein.
- (n) (sport) enkelspel
voornaamwoord
- weinig, een paarEr valt vandaag een enkele bui.Enkele vragen hebben.
Etymologie
* In de betekenis van ‘alleen, enig in zijn soort’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351
Vertalingen
Engelsankle, ancle, single
Franscheville, quelque
DuitsKnöchel, einfach, einfach
Spaanstobillo
Italiaanscaviglia
Russischлодыжка, немного, несколько
Turksayak bileği
Poolskostka, pojedynczy
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek