alleen

onzijdig (het)/ɑlˈen/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheikunde (scheikunde) een organische verbinding met twee belendende dubbele bindingen
    1=Propadieen (H2C=C=CH2) is het eenvoudigste alleen.
  2. zonder gezelschap
    Laat mij alleen met al mijn verdriet.
    Het idee om een lange tijd alleen door te brengen trok mij enorm aan, maar vond ik tegelijkertijd doodeng omdat ik geen ervaring had met langdurig alleen zijn.
  3. zonder hulp of medewerking
    Ik heb helemaal alleen mijn veters gestrikt!
  4. zich beperkend tot iets
    Ik heb alleen de woonkamer gestofzuigd.
    Die kennis alleen al was uiterst waardevol.

Etymologie

:Noord: : alene

Vertalingen

Engelsalone, only
Fransseulement
Duitseinzig, nur
Spaanssolo, solamente
Italiaanssolo
Russischодинокий
Poolssam
Zweedsbara, endast