Fit

mannelijk (de)/ 'fɪt /

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. techniek (techniek) meethaak met een vaste en een verschuifbare tong, fithaak

Etymologie

#in goede lichamelijke conditie

Vertalingen

Engelsfit, healthy, well
Fransen pleine forme
Duitsfit
Spaanssano