Giek
mannelijk (de)/ɣik/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart) rondhout bevestigd aan het onderlijk van een zeil
- boom van een kraan of graafmachine
- bij een wegwijzer het bord dwars op de paal
- (scheepvaart) lange, smalle roeiboot, waarin de roeiers alleen achter elkaar en niet naast elkaar zitten
Etymologie
*[4] van het : "gig"
Uitdrukkingen
- [1] de giek komt over
Vertalingen
Engelsboom, arm
Fransgui, bôme, flèche
DuitsBaum
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek