Haan

mannelijk (de)/han/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dierkunde (dierkunde) mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels; vaak wordt het mannetje van het huishoen () bedoeld
    De haan kraaide ons vroeg wakker.
  2. militair, techniek (militair), (techniek) het onderdeel van een vuurwapen dat een slaande beweging maakt als de trekker wordt overgehaald
    De haan van het pistool.

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "hane" van Oudnederlands "hano", in de betekenis van ‘mannetje bij hoenderachtigen’ aangetroffen vanaf 701

Uitdrukkingen

  • Haantje de voorste zijnErgens als eerste bij zijn
  • Er kraait geen haan naar.Iets gebeurt geheel ongemerkt, of het kan niemand iets schelen
  • De gebraden haan uithangenOp een onverantwoordelijke manier veel geld uitgeven, bijv. aan eten en drinken
  • De haan en de vos hebben elkaar te gast.Als twee bedriegers samenwerken, zijn ze vaak toch alleen op eigen voordeel uit
  • Zijn haan moet altijd koning kraaien.Hij speelt steeds de baas
  • Zo rood zien als een kalkoense haanEen erg rood gezicht hebben, meestal door een emotie zoals woede of schaamte

Vertalingen

Engelsrooster, cock, trigger
Franscoq
DuitsHahn
Spaansgallo, gatillo
Italiaansgallo
Portugeesgalo
Russischпетух
Turkshoroz
Poolskogut
Zweedshöns
Deenshane