Haan
mannelijk (de)/han/
Wat is de betekenis van Haan?
Haan betekent: (dierkunde) mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels; vaak wordt het mannetje van het huishoen () bedoeld
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (dierkunde) mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels; vaak wordt het mannetje van het huishoen () bedoeld
- (militair), (techniek) het onderdeel van een vuurwapen dat een slaande beweging maakt als de trekker wordt overgehaald
Voorbeelden van "Haan" in een zin
- De haan kraaide ons vroeg wakker.
- De haan van het pistool.
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "hane" van Oudnederlands "hano", in de betekenis van ‘mannetje bij hoenderachtigen’ aangetroffen vanaf 701
Uitdrukkingen
- Haantje de voorste zijn — Ergens als eerste bij zijn
- Er kraait geen haan naar. — Iets gebeurt geheel ongemerkt, of het kan niemand iets schelen
- De gebraden haan uithangen — Op een onverantwoordelijke manier veel geld uitgeven, bijv. aan eten en drinken
- De haan en de vos hebben elkaar te gast. — Als twee bedriegers samenwerken, zijn ze vaak toch alleen op eigen voordeel uit
- Zijn haan moet altijd koning kraaien. — Hij speelt steeds de baas
- Zo rood zien als een kalkoense haan — Een erg rood gezicht hebben, meestal door een emotie zoals woede of schaamte
Vertalingen
Engelsrooster, cock, trigger
Franscoq
DuitsHahn
Spaansgallo, gatillo
Italiaansgallo
Portugeesgalo
Russischпетух
Turkshoroz
Poolskogut
Zweedshöns
Deenshane
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek