haantje
/ˈhaɲcə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (tweekleppigen) (voeding) bepaald soort schelpdier, , dat wel als voorafje gegeten wordt in mosselrestaurantsWilt u wat haantjes vooraf?
- (kevers) benaming voor torren uit de familie bladkevers ()
- (persoon) (pejoratief) iemand die met een stoere of agressieve houding indruk probeert te maken om zijn mannelijkheid of plaats in een rangorde te bewijzen
- (kookkunst) gerecht dat hoofdzakelijk bestaat uit een vleeskuiken
Etymologie
*afgeleid van "haan"
Vertalingen
Franscoque
Spaansgallito
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek