haantje

/ˈhaɲcə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tweekleppigen, voeding (tweekleppigen) (voeding) bepaald soort schelpdier, , dat wel als voorafje gegeten wordt in mosselrestaurants
    Wilt u wat haantjes vooraf?
  2. kevers (kevers) benaming voor torren uit de familie bladkevers ()
  3. persoon, pejoratief (persoon) (pejoratief) iemand die met een stoere of agressieve houding indruk probeert te maken om zijn mannelijkheid of plaats in een rangorde te bewijzen
  4. kookkunst (kookkunst) gerecht dat hoofdzakelijk bestaat uit een vleeskuiken

Etymologie

*afgeleid van "haan"

Vertalingen

Franscoque
Spaansgallito